Floor Borsboom

Literaire vertalingen

Te verschijnen in 2018:

  

  • Alice Zeniter, De kunst van het verliezen

  • De kunst van het verliezen is een buitengewoon knap gecomponeerde fictionele verwerking van een nog steeds buitengewoon pijnlijk hoofdstuk uit de Franse geschiedenis, de burger- of liever onafhankelijkheidsoorlog in de Franse kolonie Algerije (1954-1962) en de gevolgen daarvan voor de ‘harki’s’, d.w.z. degenen die zich aan Franse zijde hadden geschaard en na de onafhankelijkheid massaal het land moesten verlaten, waarna ze terechtkwamen in een Frankrijk dat bepaald niet op hen zat te wachten.
             Er is een alwetende verteller, een niet nader aangeduide ‘ik’, in wie we gevoeglijk de schrijf-ster zelf kunnen zien, die de geschiedenis optekent van een berberfamilie uit de bergen ten oosten van Algiers, op basis van de brokstukken informatie die een telg van de derde generatie, een zekere Naïma, heeft weten te verzamelen. De roman bestaat uit drie delen, die elk weer uit talloze hoofdstukken van 5-10 pagina’s bestaan.
    In deel I staat Naïma’s grootvader Ali centraal. Hij is de patriarch van de familie die in de Tweede Wereldoorlog aan Franse zijde heeft gestreden, o.a. in Monte Cassino, en na de oorlog een bloeiende olijfgaard heeft opgebouwd. Met het begin van de onafhankelijkheidsstrijd raakt hij ver-strikt, zo niet vermalen, tussen de verschillende partijen, het Algerijnse bevrijdingsfront (FLN) en de Franse autoriteiten, de Kabylen (Berbers) en Arabieren, zijn eigen familie die hij moet beschermen en de rivaliserende clan van de Amrouche. Maar alleen al zijn Franse oorlogsmedailles maken hem in de ogen van het FLN tot een verrader en hij moet in 1962 eieren voor zijn geld kiezen en samen met zijn vrouw Yema en zijn drie kinderen, onder wie zijn oudste zoon Hamid, inmiddels 9 jaar oud, het land verlaten.
             In deel II is het die laatste, Hamid, door wiens ogen we ervaren hoe het leven er de daarop volgende drie jaar voor de familie uitziet, eerst in een armetierig opvangkamp bij Perpignan en dan in een soort van veredeld tentenkamp waar Ali als bosarbeider aan het werk wordt gezet. Hamid schaamt zich voor de vernederende manier waarop zijn ouders, beide analfabeet en amper Frans sprekend, worden behandeld. Dan krijgt de familie eindelijk een goedkope huurflat aangeboden in een troostelo-ze buitenwijk van Flers, Normandië, en wordt Ali te werk gesteld in een staalfabriek. De familie breidt zich uit met nog zes kinderen, voor wie Hamid als de oudste zoon verantwoordelijk is. Langzaam maar zeker weet hij zich te ontworstelen aan het vernederende emigrantenbestaan, en hij vertrekt naar Parijs, trouwt met de Franse Clarisse en krijgt vier dochters, onder wie Naïma.
             In deel III besluit de dertigjarige Naïma, werkzaam in een kunstgalerie in Parijs, na de aansla-gen in 2015 meer te weten te komen over haar familie. Haar opa Ali, inmiddels overleden, heeft er altijd het zwijgen toe gedaan en ook haar vader Hamid laat weinig los over zijn verleden. Zwijgen (silence) is een van de sleutelwoorden van de roman. Ze documenteert zich middels internet, archief-materiaal en documentaires en wordt uiteindelijk door haar galeriehouder voor een kunstproject naar Algerije gestuurd. Ze bezoekt haar familie in de bergen boven Palestro, maar ondanks de warme ont-vangst er is al te veel verloren gegaan. Want verliezen is natuurlijk het andere sleutelwoord van dit boek, het verliezen van je land, je taal, je cultuur, je identiteit. De kans dat ze ooit weer terug zal keren naar Algerije is niet erg groot. Maar met deze roman, die niet toevallig begint en eindigt met Naïma, is wel een brug geslagen tussen de drie opeenvolgende generaties, tussen Frankrijk en Algerije, tussen verleden en heden.

  • Monica Sabalo, Summer

  • Het verhaal wordt verteld door Benjamin Wassner, de zoon van een succesvol, welgesteld echtpaar (vader is een Zwitserse topadvocaat, moeder een beeldschone Française die haar carrière als actrice heeft opgegeven voor een leven in weelde in de beau monde van Genève). De titel verwijst naar het zusje van Benjamin, Summer, die 24 jaar geleden, op negentienjarige leeftijd spoorloos verdween. Benjamin, nu 38, is daar nooit overheen gekomen en doet, na een zoveelste crisis, ditmaal zo ernstig dat hij niet meer in staat is om te werken, het verhaal van zijn jeugd en van de verdwijning van zijn zusje aan een psychotherapeut. Naast Summer, net zo knap als haar moeder en door jong en oud be-wonderd en begeerd, steekt Benjamin, met zijn schriele gestalte en zijn zenuwtrekjes, schril af. Toch is hij niet jaloers op zijn zusje, maar draagt haar, net als zijn ouders, op handen, zij het dat hij gebukt gaat onder de dwang om aan zijn vaders eisen te voldoen.
             Van de toedracht van Summers verdwijning, tijdens een picknick op een zonnige zomerdag aan het meer van Genève, kan Benjamin zich alleen maar flarden herinneren. Maar tijdens de gesprek-ken met de psycholoog en met vrienden en kennissen vormt zich gaandeweg een beeld van het gezin, in hun ‘gloriedagen’ en tijdens de kille jaren volgend op Summers verdwijning. Aan de buitenkant lijkt het gezin te blijven functioneren, volgens de regels van het fatsoen die voorschrijven dat je geen emoties toont, je nooit schaamt of verdrietig bent, hooguit ‘een beetje moe’. Gaandeweg komen er echter barsten in het sociale vernis, komen de leugens bovendrijven en wordt het water van het meer (een zeer aanwezig element in het verhaal) minder troebel. Monica Sabolo weet op magistrale wijze de spanning op te bouwen. Ze geeft blijk van een groot inlevingsvermogen in de psyche van haar hoofd-persoon. Bij iedere aanwijzing die ze in de loop van het verhaal prijsgeeft wordt de lezer verder mee-gezogen in het beklemmende relaas van Benjamins jeugd. Tot op het laatst vraagt de lezer zich af of Summer nu is ontvoerd, verdronken of gevlucht, en de ontknoping - hoe begrijpelijk ook als alle stuk-jes van de puzzel op hun plek vallen - komt als een volslagen verrassing.

  • Delphine de Vigan, Les loyautés

  • Hélène, lerares biologie, maakt zich grote zorgen om de dertienjarige Théo, bij wie ze tekenen van geestelijke en/of lichamelijke mishandeling herkent omdat ze zelf als kind door haar vader ernstig is mishandeld . Ze onderneemt pogingen om de school te alarmeren, maar vindt geen gehoor. Wat ze niet weet is dat Théo en zijn beste vriendje Mathis stiekem alcohol drinken, en dat vooral Théo daar steeds verder in gaat. Théo woont beurtelings bij zijn moeder, een verbitterde en kille vrouw, en bij zijn va-der, een werkeloze zombie die zichzelf, zijn huis en zijn zoon verwaarloost. Om aan drank te komen steelt Mathis geld van zijn moeder Cécile, een doodongelukkige huisvrouw die buiten medeweten van haar man bij een psychiater loopt en met lede ogen aanziet hoe Theo steeds meer invloed op Mathis krijgt. Op zijn beurt maakt Mathis zich weer zorgen om zijn moeder, die hij erop betrapt in zichzelf te praten, en vooral om Théo die geen maat meer weet te houden.
             Hélène overschrijdt alle grenzen in haar zorg om Théo en wordt op ziekteverlof gestuurd, ter-wijl Cécile in opstand komt tegen haar gestoorde man, die ze betrapt heeft op racistisch, antisemitisch, homofoob en seksistisch commentaar op de sociale media, en besluit om het heft/haar leven in eigen handen te nemen.
             De volstrekte loyaliteit van Théo aan zijn vader en zijn moeder en die van Mathis aan Théo dwingt hen om hun mond te houden en bewerkstelligt zo indirect het drama dat zich zal voltrekken: Théo raakt op een winterse avond tijdens een drankgelag in een park in coma. Mathis belt in paniek Hélène, die misschien nog op het nippertje arriveert om Théo van een gewisse dood te redden.