Verschenen in 2018

  

  • Ali Zamir, Aal onder water

    Anguille (‘Aal’ of ‘Paling’), de 17-jarige tweelingdochter van Connaît-Tout, afkomstig uit Mutsamudu, de hoofdstad van Anjouan, een onafhankelijk eiland dat deel uitmaakt van de Comoren, is aan het verdrinken in de Indische Oceaan. Terwijl ze zich vastklampt aan een jerrycan laat ze haar korte leven aan haar geestesoog voorbij trekken, richt zich daarbij rechtstreeks tot de lezer en doet haar relaas.
             Ze vertelt over het leven, de inwoners en de geschiedenis van Mutsamudu, maar vooral over haar vader Connaît-Tout, een visser en onverbeterlijke kletsmajoor, haar tweelingzusje Crotale, die lanterfantend door het leven gaat en het populairste meisje van de klas is, dit in tegenstelling tot Anguille zelf, die altijd ijverig heeft gestudeerd, zich nooit iets van anderen heeft aangetrokken en altijd haar, naar eigen zeggen, anguilliforme of palingachtige weg is gegaan. De moeder is bij de geboorte van de tweeling overleden, en haar zus Tranquille heeft zich de eerste jaren over de meisjes ontfermd tot Connaît-Tout de kinderen heeft opgeëist. Ze wonen met zijn drieën in een krot met uitzicht over het kiezelstrand waar de prauwen van de vissers liggen afgemeerd.
             Gaandeweg spitst het verhaal zich toe op de laatste weken van Anguilles leven. Er heeft een rolwisseling plaatsgevonden tussen haar en haar zusje Crotale (‘Ratelslang’). ‘Aal’ is smoorverliefd op de knappe visser Vorace (‘Schrokop’), spijbelt van school en rookt en drinkt, terwijl haar zusje de jongens juist heeft afgezworen en zich op haar schoolwerk heeft gestort. Wanneer Anguille zwanger raakt, ontdekt ze dat haar Vorace een notoire rokkenjager is. Haar vader jaagt haar het huis uit en krijgt dan van Tranquille te horen dat de meisjes niet zijn dochters zijn. Dit is meer dan hij kan verdragen en hij verdwijnt op volle zee. Anguille besluit, zoals zo vele inwoners van Anjouan, ook in werkelijkheid, illegaal over te steken naar het enige Franse eiland van de Comoren, Mayotte, maar het gammele bootje met 84 opvarenden komt terecht in een storm en slaat om. Anguille verdrinkt.

    ‘Het verhaal is niet belangrijk voor me,’ zegt Zamir in een interview, ‘het gaat om de écriture’, de stijl. Anguille is een soort Sheherazade, die vertelt om te kunnen blijven leven, om ‘te vechten tegen de dood’. Daarom vertelt ze haar verhaal in één enkele zin, die pas op de laatste pagina eindigt met een uitroepteken.
             De toegepaste verteltechniek is die van de ‘stream of consciousness’. Anguille springt van de hak op de tak en vertelt ons met de overmoed en stelligheid van de jeugd hoe het leven precies in el-kaar zit. Ze zat in de eindexamenklas van het gymnasium en gebruikt veel ‘dure’ woorden, Latijnse of ouderwetse woorden en uitdrukkingen, soms verkeerd, wat een komisch effect heeft, en ook de literaire verwijzingen zijn niet van de lucht. De uitgeverij, Le Tripode, laat voorafgaand aan de roman dan ook niet toevallig weten dat ze ‘de lexicale, grammaticale en syntactische eigenaardigheden van de tekst heeft gerespecteerd’.
             De virtuoze stijl van deze roman, waarin vorm en inhoud door hun kronkelende gang in feite een mooi literair verbond aangaan, stelt de vertaler voor een aantal problemen. Dat begint al met de titel (‘Addertje onder het gras’?) en de namen van de hoofdpersoon (‘Aal’ of ‘Paling’?) en de andere romanfiguren, zoals Crotale (‘Ratelslang’?), Voilà (‘Jaja’?), Miraculé (‘Wonderbaarlijk genezen’?) en Rescapé (‘Overlevende’?), waarmee in de tekst vaak ook nog wordt gespeeld, want Anguille is een ware woordkunstenares! En wat te doen met de Latijnse uitdrukkingen zoals ad vitam aeternam, illico presto, ex abrupto? Met de hoogdravende flauwekul die ‘Weetal’ voortdurend uitslaat en die dikwijls op het onbegrijpelijke af is? En met Anguilles levensfilosofie die geheel en al draait om het paling/aal zijn, de stilte waarin de paling zich terugtrekt onder zijn ‘roche’? Kortom, meer dan genoeg uitdagingen, waarop deze vertaalster zich bij voorbaat verheugt!

  • Alice Zeniter, De kunst van het verliezen

    De kunst van het verliezen is een buitengewoon knap gecomponeerde fictionele verwerking van een nog steeds buitengewoon pijnlijk hoofdstuk uit de Franse geschiedenis, de burger- of liever onafhankelijkheidsoorlog in de Franse kolonie Algerije (1954-1962) en de gevolgen daarvan voor de ‘harki’s’, d.w.z. degenen die zich aan Franse zijde hadden geschaard en na de onafhankelijkheid massaal het land moesten verlaten, waarna ze terechtkwamen in een Frankrijk dat bepaald niet op hen zat te wachten.
             Er is een alwetende verteller, een niet nader aangeduide ‘ik’, in wie we gevoeglijk de schrijf-ster zelf kunnen zien, die de geschiedenis optekent van een berberfamilie uit de bergen ten oosten van Algiers, op basis van de brokstukken informatie die een telg van de derde generatie, een zekere Naïma, heeft weten te verzamelen. De roman bestaat uit drie delen, die elk weer uit talloze hoofdstukken van 5-10 pagina’s bestaan.
    In deel I staat Naïma’s grootvader Ali centraal. Hij is de patriarch van de familie die in de Tweede Wereldoorlog aan Franse zijde heeft gestreden, o.a. in Monte Cassino, en na de oorlog een bloeiende olijfgaard heeft opgebouwd. Met het begin van de onafhankelijkheidsstrijd raakt hij ver-strikt, zo niet vermalen, tussen de verschillende partijen, het Algerijnse bevrijdingsfront (FLN) en de Franse autoriteiten, de Kabylen (Berbers) en Arabieren, zijn eigen familie die hij moet beschermen en de rivaliserende clan van de Amrouche. Maar alleen al zijn Franse oorlogsmedailles maken hem in de ogen van het FLN tot een verrader en hij moet in 1962 eieren voor zijn geld kiezen en samen met zijn vrouw Yema en zijn drie kinderen, onder wie zijn oudste zoon Hamid, inmiddels 9 jaar oud, het land verlaten.
             In deel II is het die laatste, Hamid, door wiens ogen we ervaren hoe het leven er de daarop volgende drie jaar voor de familie uitziet, eerst in een armetierig opvangkamp bij Perpignan en dan in een soort van veredeld tentenkamp waar Ali als bosarbeider aan het werk wordt gezet. Hamid schaamt zich voor de vernederende manier waarop zijn ouders, beide analfabeet en amper Frans sprekend, worden behandeld. Dan krijgt de familie eindelijk een goedkope huurflat aangeboden in een troostelo-ze buitenwijk van Flers, Normandië, en wordt Ali te werk gesteld in een staalfabriek. De familie breidt zich uit met nog zes kinderen, voor wie Hamid als de oudste zoon verantwoordelijk is. Langzaam maar zeker weet hij zich te ontworstelen aan het vernederende emigrantenbestaan, en hij vertrekt naar Parijs, trouwt met de Franse Clarisse en krijgt vier dochters, onder wie Naïma.
             In deel III besluit de dertigjarige Naïma, werkzaam in een kunstgalerie in Parijs, na de aansla-gen in 2015 meer te weten te komen over haar familie. Haar opa Ali, inmiddels overleden, heeft er altijd het zwijgen toe gedaan en ook haar vader Hamid laat weinig los over zijn verleden. Zwijgen (silence) is een van de sleutelwoorden van de roman. Ze documenteert zich middels internet, archief-materiaal en documentaires en wordt uiteindelijk door haar galeriehouder voor een kunstproject naar Algerije gestuurd. Ze bezoekt haar familie in de bergen boven Palestro, maar ondanks de warme ont-vangst er is al te veel verloren gegaan. Want verliezen is natuurlijk het andere sleutelwoord van dit boek, het verliezen van je land, je taal, je cultuur, je identiteit. De kans dat ze ooit weer terug zal keren naar Algerije is niet erg groot. Maar met deze roman, die niet toevallig begint en eindigt met Naïma, is wel een brug geslagen tussen de drie opeenvolgende generaties, tussen Frankrijk en Algerije, tussen verleden en heden.